Welkom > Uitleg > hun of hen

Hier kan je alle uitleg uit hun of hen naslaan.

Vanaf groep 8 t/m voortgezet onderwijs. Hij verzekerde HUN dat hij HEN zou trakteren.

Leer alles over hun of hen

Wil je alles leren over hun of hen? Ga dan naar de leermodule van hun of hen en leer alles stap voor stap met veel oefeningen.

Uitleg hun of hen

hun of hen

hun of hen

Wanneer gebruik je hun of hen?

Daar zijn gelukkig regels voor.
Ga die goed leren en je kunt dan de goede keus maken.
Soms is het handig als je zelf wat aantekeningen maakt, een spiekbriefje om alles te onthouden.

Het is belangrijk om te weten welk zinsdeel het woord hen of hun is.

Is het onderwerp:
Er wordt vaak gezegd: "Hun doen dat."
Hier mag je nooit hun gebruiken.
Als het onderwerp is gebruik je ZE in plaats van HUN.
Ze doen dat.
Ze hebben gewonnen.


Is het lijdend voorwerp? Ik heb hen gezien.
Is het meewerkend voorwerp? Ik geef  het boek aan hen. Ik geef hun het boek.

Einde van de inleiding

Ga nu verder met het volgende deel,

bezittelijk voornaamwoord

Bij een bezittelijk voornaamwoord denk je aan bezit.

Je bezit iets, het is van jou.

Dat is mijn fiets.
Dat is jouw pen.
Dat is haar tas.
Dat is onze auto.
Dat is jullie club.
Dat is hun voetbalveld.

Bij dit soort zinnen zeg je nooit:

Dat is hen voetbalveld.

Van hen

Maar als je de zinnen anders zegt:


Die fiets is van mij.
Die pen is van jou.
Die tas is van haar.
Die auto is van ons.
Die club is van jullie.
Dat voetbalveld is van hen.

Dan zie je dat hun veranderd is in hen.

Hen is hier namelijk geen bezittelijk voornaamwoord.
Hen is hier een persoonlijk voornaamwoord.

Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Einde van dit deel

Je bent nu klaar met dit deel. 

Je gaat nu leren dat je bij een meewerkend voorwerp hun of aan hen gebruikt.

meewerkend voorwerp

Wat is een meewerkend voorwerp?

Hun gebruiken we ook bij een meewerkend voorwerp.

Dan moet je eerst weten wat dat is.

Het meewerkend voorwerp krijgt iets.
Ik geef Jan een voetbal.
Wie krijgt iets?
Jan.

Een andere manier:
Vraag: aan wie geef ik een voetbal?
Aan Jan.

Nog een paar voorbeelden.
Klaas gaf die jongen een boek.
Wie krijgt iets: die jongen.
Aan wie geeft Klaas een boek: aan die jongen.

Nog een paar voorbeelden.

Johan heeft zijn vader alles verteld.


Aan wie?
Aan zijn vader.

Wie krijgt iets te horen?
Zijn vader.

Soms vraag je niet aan wie, maar voor wie.

Joris kocht zijn zus een mobieltje.

Wie krijgt iets?
Zijn zus.
Voor wie kocht jij een mobieltje?
Voor zijn zus.

hun

In deze zinnen gebruik je altijd hun.


Ik geef de kinderen een ijsje.
Ik geef hun een ijsje.

Moeder kocht haar kinderen een mobieltje.
Moeder kocht hun een mobieltje.

Wanneer geen hun bij een meewerkend voorwerp?

Als een zinsdeel meewerkend voorwerp is, gebruik je hun.

Behalve als er aan of voor voor staat.

Ik geef aan de kinderen een ijsje. 
Meewerkend voorwerp = aan de kinderen of aan hen (met het woordje aan).
Ik geef aan hen een ijsje.

Moeder kocht voor haar kinderen een mobieltje. 
Meewerkend voorwerp = voor de kinderen of voor hen (met het woordje voor).
Moeder kocht voor hen een mobieltje.

Dus:
meewerkend voorwerp zonder aan of voor: hun
meewerkend voorwerp met aan of voor: hen

Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Einde van dit deel.

Je weet nu wat een meewerkend voorwerp is. Wil je nog meer weten, ga dan naar de app zinsontleding. Daar leer je heel veel over het meewerkend voorwerp en andere zinsdelen. Nu ga je leren wat een voorzetsel is.

voorzetsel

Met voorzetsel altijd hen.

Denk aan een huis.

Daar kun je kleine woordjes voor zetten.
Die woordjes heten voorzetsels.

Ik sta voor het huis.
Ik sta achter het huis.
Hij loopt langs het huis.
Vader loopt naar het huis.
aan het huis.
op het huis
met het huis
zonder het huis
onder het huis
boven het huis
door het huis

Bij dit soort zinnen gebruik je nooit hun, maar altijd hen.

Ik sta voor hen.
Ik sta achter hen.
Ik loop langs hen.
Ze loopt naar hen.
Ik zit aan hen.
Ik vertrouw op hen.
Ik ga met hen of zonder hen.
De lamp hangt boven hen.
Ik zit tussen hen in.

DUS: met een woordje ervoor is het altijd hen.


Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Vader bracht hun/hen de interesse voor voetbal bij.

Je kunt zeggen:

Vader bracht aan hen de interesse voor voetbal bij.

Je kunt er aan voor denken, dus is het hun.


Johan pakte hun/hen de bal af.


Je kunt zeggen:

Johan pakte van hen de bal af.

Je kunt er van voor denken, dus is het hun.



Als je voor hun/hen een voorzetsel kunt denken, gebruik je hun.

Wij hopen dat het hun/hen goed gaat.

Wij hopen dat het met hen goed gaat.

Dus:

Wij hopen dat het hun goed gaat.


Einde van dit deel

Dus ,


Staat er een voorzetsel voor: dan gebruik je hen.

Kun je er een voorzetsel voor denken: dan gebruik je hun.

Ga verder met de volgende oefening.

personen

hun of hen bij personen

Alleen bij personen gebruik je hun of hen.

Anders  gebruik je ze.

Pas je goed op de kinderen?
Pas je goed op hen?

Pas je goed op de boeken?
Pas je goed op ze?
Wees zuinig op ze.

Zorg je goed voor de kippen?
Zorg je goed voor ze?


Einde van dit deel

Bij het lijdend voorwerp gebruik je alleen maar hen.

Maar wat is een lijdend voorwerp?
Daar ga je nu iets van leren.

lijdend voorwerp

Wat is een lijdend voorwerp?

Het lijdend voorwerp is een deel van een zin.

Je vindt het door te vragen:
Wie/Wat + gezegde + onderwerp.

Ik geef de bloemen water.
Wat geef ik? water.

Ik zie jou.
Wie zie ik? jou.

Bij het lijdend voorwerp gebruik je altijd hen.

Ik bekijk hen goed.
Hij ontslaat hen.
Zij ziet hen.

Wil je meer over het lijdend voorwerp weten?
Oefen dan het programma van de zinsontleding.

Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Einde van dit deel

Als een zinsdeel een onderwerp is, gebruik je nooit hun. dat ga je nu leren.

onderwerp

Wat is het onderwerp?

Bij het onderwerp vraag je: "Wie doet het?"

Vaak wordt gezegd: "Hun hebben dat gedaan."
Dat moet zijn: "Zij hebben dat gedaan."

Hun kan nooit onderwerp zijn.

Hun doen dat. (verkeerd)
Zij doen dat. (goed)

Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Werkwoord

Voor of na een werkwoord gebruik je nooit hun.

Je mag niet zeggen:

Hun komen vandaag.
Komen hun vandaag?

Het hoort zo:

Zij komen vandaag.
Komen zij vandaag?

Dus niet:
Hun willen.
Hun krijgen.
Hun doen.

maar: 

Zij willen.
Zij  krijgen.
Zij doen.

Dus niet: 

Willen hun?
Krijgen hun?
Doen hun?


maar:

Willen zij? 
Krijgen zij? 
Doen zij?

Het + werkwoord

Bij de vorige zinnen was "hun" een onderwerp.

Hun komt dan nooit  vlak voor of na een werkwoord.

Als hun/hen geen onderwerp is,  kun je je hun/hen wel naast een werkwoord gebruiken.
Bij zinnen met het.

Je gebruikt hun:

bij een werkwoord dat een gevoel uitdrukt.

Het spijt mij.
Het spijt hun.
Het valt hun tegen.
Het schaadt hun.

bij een werkwoord dat een gebeuren uitdrukt.

Het gebeurt hun te vaak.
Het mislukt hun.
Het overkomt hun.
Het overvalt hun.

In plaats van het kun je ook zeggen: dat, dit, zoiets e.d.

Dit overkomt hun nooit.
Zoiets gebeurt hun elke dag.

Einde van dit deel

Je weet nu al een heleboel. Nu krijg je alles door elkaar. Doe je best, .

door elkaar

Wanneer hun of hen?

Nog even herhalen.


Wanneer gebruik je hen?

Na een voorzetsel.

Ik ben met hen naar de stad geweest.

Als lijdend voorwerp.

Ik heb hen gisteren nog gezien.


Wanneer gebruik je hun?

Als bezittelijk voornaamwoord: Dat is hun opa.

Als meewerkend voorwerp: Ik heb hun een cadeau gegeven.

Als ondervindend voorwerp: Het spijt hun. Het overkomt hun.

Oefeningen

Oefeningen

Klik hier om de oefeningen in de leermodule te doen.

Je bent ver gekomen.

Soms is het erg duidelijk, soms moet je extra nadenken.
Je kunt alles zo vaak oefenen als je wilt.
Succes!

Je bent klaar met deze les. Ga nu door met de volgende les.

Foute opgaven verbeteren

Oefenen

Hier kan je de opgaves die je moeilijk vond nog een keer oefenen.

Oefening

Oefening

Klik hier om de oefening in de leermodule te doen.

Einde!